Dorpsstraat, Het Tolhuis,Tolgabel 3

De tekst op deze pagina is van een artikel uit de Oegstgeester Courant van 6 october 1986, en is geschreven door Bert Driessen
 

Op 3 januari 1805 werd door de "Bataafse Republiek een Staatsbesluit genomen om een "postritweg" van 's-Gravenhage naar Haarlem geheel te bestraten.Omdat er geen voldoende financiŽle middelen voorhanden waren,kreeg het Departementaal Bestuur van Holland de opdracht een plan op te stellen.Er werd een obligatie lening aangegaan en om de kosten te bestrijden werden er acht tollen (ook wel Gabels genoemd) in deze weg opgenomen.Tol nr.een kwam bij het buitenverblijf Marlot in 's-Gravenhage,tol nr.twee bij de Maaldrift in Wassenaar, tol nr.drie Ôn het dorp Oegstgeest, nr.vier in Sassenheim,nr.vijf in Lisse,nr.zes in Hillegom, nr.zeven in Heemstede en nr.acht in Haarlem.

 

Na een aantal maanden kan begonnen worden met de aanleg van de weg en in maart 1806 is men al gevorderd tot aan de Haagse Schouw.Er wordt gebruik gemaakt van z.g. "Goudse IJssel klinkers". De straatmakers kregen hun loon uitbetaald per week en waren geheel afhankelijk van de geleverde prestatie.

De traatweg liep in Oegstgeest vanaf het Haagse Schouw,via het kruispunt naar Rijnsburg (bekend als de " drie witte palen",

langs Endegeest,Rhijngeest,Vijfhuizen (nu Leidse Buurt) Herenweg (Rhijngeesterstraatweg-Dorpsstraat-Haarlemmerstraatweg) naar de Postbrug richting Sassenheim.

De plaats van de tol was bepaald in het dorp "even voor de Pastorielaan ( voormalige NH Pastorie achter de " De Rode Leeuw)

 

Deze lokatie was niet naar het zin van het Gemeentebestuur van Oegstgeest en Poelgeest. Uit een uitgebreide brief van 11 juli 1806 aan het Departementaal Bestuur van Holland, blijkt dat er een groot ongenoegen bestaat tegen de gekozen plaats van de tol.Met duidelijk aangegeven reden stelt het Gemeentebestuur voor de tol te plaatsen tussen de Kerk (Groene) en de Vinkenweg.

Ook de raad van de stad Leiden ondersteunde dit voorstel. Het bleek echter tevergeefs te zijn want op het verzoek werd afwijzend beschikt.De tol bleef op de aangewezen plaats.Wel kreeg men gedaan dat voor de passage van en naar de waag in Rijnsburg en de korenmolen men vrijgesteld werd om tolgeld te betalen "mits hun biljetten tonende".

 

 

Op 30 juni 1806 vond in de herberg "De Haagse Schouw" een publieke aanbesteding plaats voor de bouw van een tolhuis te Oegstgeest.Uit de aangetroffen tekenngen en bestek is duidelijk dat er weinig aan dit huisje gewijzigd is.De bouw werd opgedragen aan de laagste inschrijver- J.Paddenburg- voor de som van 2075 gulden.

De aanbesteding blijkt eerder plaats gevonden te hebben dan de aankoop van de grond, want uit een transportakte van 23 september 1806 blijkt, dat Evert Willemszoon Yperlaan een stuk grond- groot 200 roeden- voor 200 gulden verkoopt aan het Departementaal bestuur van Holland.

De bestrating van de weg was gereed gekomen op 18 november 1807 en op 21 november daarop werden alle tollen in dienst gesteld.De eerste aangestelde tolgaarder was, de in 1764 geboren Steven de Keyser,vader van vier kinderen,voormalig timmerman bij de Marine.Naast zijn functie als tolgaaarder werd hij ook aangesteld als opzichter van de weg.

Omdat Steven de Keyzer niet alleen tolgaarder maar ook "opziender "  van de weg was kreeg hij een wekelijks traktement van 14 gulden.

 

De gemiddelde inkomsten van tol nr.3 in Oegstgeest bedroeg in 1807 ongeveer 56 gulden per week en lag daarmee erg laag in verhouding met bijvoorbeeld de tol bij Marlot die gemiddeld ruim 100 gulden per week opbracht.

Op 13 november 1807 richtte het Gemeentebestuur van Oegstgeest en Poelgeest zich opnieuw tot het Departementaal Bestuur van Holland met het verzoek de plaats van de tol te herzien en daarbij wijzende op de ongunstige locatie i.v.m. de passage naar de waag in Rijnsburg en de korenmolenaar aan de Vliet-langs de dijk.

Regelmatig brengt Steven de Keijser als "opziender "van de weg rapport uit over zijn bevindingen aan de Commissaris van deStraatweg A.C. Twent van Raaphorst te Hillegom.In een van deze rapporten lezen we dat op 3 februari 1830 de weg geheel onbegaanbaar was vanwege een zeer zware opstuwing van sneeuw.

Een jaar later in januari kregen alle tolgaarders de opdracht om de Gentse diligence geen doorgang mee te verlenen "indien de rijtuigen voorzien zijn van ijzeren ijspenningen door de vellingen gestoken" en op 1 mei 1832 laat de Commissaris hen weten dat Prins Adelbert van Pruisen vrij is van tolgelden als hij met zijn rijtuigen de tollen passert.

 

 

De tolgaarder Stephanus de Keijser had een verschil van mening met de burgemeester van Oegstgeest. Deze had hem opgedragen onder verwijzing naar het besluit nr. 1681/1372 van 29 augustus 1826 van de staatsraad gouveneur van Zuid-Holland, om maar de halve tol te heffen van personen die woonachtig waren tussen de andere tol en de tol van tolgaarder Stephanus de Keijser. Hij was het er niet mee eens,en schreef een brief op 3 augustus 1835 aan de burgemeester van Oegstgeest.

Met dank voor deze bijdrage van de Heer J.A. de Keijzer uit Maastricht

 

 

 

 

De Tolgabel in wintertooi

 

Op zijn verzoek werd de- toen al 79 jarige- Steven de Keijser met ingang van 1 november 1843 ontslag verleend. Een aantal jaren daarvoor, had hij al het zuidelijke gedeelte van de tuin, behorende bij het tolhuisje voor 110 gulden gekocht en daar zelf een huis op laten bouwen.

 

Met ingang van 1 november 1843 werden de tollen verpacht en kregen de tolgaarders een gedeelte van de opbrengst, tolgabel 3 werd verpacht aan Ary Mijnlief en na hem zouden niet minder dan 16 tolgaarders hierna nog volgen.

 

 

Tolgabel 3 aan de Dorpsstraat in Oegstgeest  2006

Foto's zijn van Henny van Werkhoven

 

 

Bij wet van 22 juli 1899 werden de rijkstollen op wegen,kanalen,havens,sluizen en bruggen afgeschaft.De voormalige rijkstollen kregen een andere bestemming, bijvoorbeeld verkoop aan de vroegere bewoners of verhuring aan rijksveldwachters of kantonniers.

 

Nadat het tolhuis enige jaren had leeggestaan kreeg Jacobus de Bruyn van april 1902 tot april 1904 toestemming om het huis te huren.Bij openbare verkoping van 23 februari 1904 werd het tolhuis tenslotte verkocht aan de veearts Th.Rietmeijer,nadat Rietmeijer en zijn vrouw medio 1920 waren overleden,werd het bewoond door de familie Nulle tot 1937,daarna door de familie Jonker en tenslotte vanaf 1939 tot eind 1985 door de familie van Schie.

 

 

Dit was het tolhuisje eind jaren tachtig van de vorige eeuw dat gelijktijdig

met het pand v.d. Luit(voorheen Homan)dreigde gesloopt te worden.

Nadat uitgebreid onderzoek naar de historische achtergrond was gedaan door Bert Driessen en dit in een artikel

was geplaatst in de Oegstgeester Courant. kwamen er veel reacties los en mede door de inzet

van de Vereniging Oud Oegstgeest werd het pandje tenslotte gespaard, gerestaureerd en kwam het op de monumentenlijst.

 

 

 

Tolgabel 3 aan de Dorpsstraat in Oegstgeest  2006

 

De tolgabel nr. 3 aan de straatweg lag op het punt waar de tegenwoordige Dorpsstraat zich versmalt

en als het ware een aftakking lijkt van de nu doorgaande route Dorpsstraat- President Kennedylaan.

 Dus vlak bij cafe De Roode Leeuw.Het huidige adres is Dorpsstraat 53, want de tolgaarderswoning staat er nog.

 Het huisje, dat eind jaren tachtig rijp was voor de sloop, is keurig gerestaureerd en staat op de gemeentelijke monumentenlijst. .