DE GESCHIEDENIS VAN ENDEGEEST IN HET KORT

Door Juuk van Dijk, oud-inwoner van Oegstgeest

Met foto's van Henny van Werkhoven

 

 

Bezoek van Koningin-Moeder Emma aan zoals De Prins, uitgave van 5 juni 1915, schreef, de gestichten bij Leiden.

 

Voor het eerst in de geschiedenis duikt het kasteel,althans een oud adelijk huis,Endegeest op in een oorkonde van 17 maart 1307,die wij nog slechts in afschrift bezitten; het orgineel is verloren gegaan.Vrouwe Hasekine van Endegeest wordt dan door haar neef  Heer Hendrik van Alkemade met Endegeest en 12 morgen land, 6 er voor en 6 er achter gelegen,beleend na de dood van haar broeder Jacob van Endegeest.Daarbij werd bepaald dat na haar het goed zou vererven op haar 2 kleinkinderen.Vermoedelijk heeft zij als een der laatste telgen uit het ons oudst bekende geslacht dat de naam van Endegeest droeg,als weduwe (vermoedelijk een van Alkemade) haar eigen goed opgedragen aan de burggraaf van Leiden ( een Wassenaar) en aan haar neef de Heer van Alkemade,elk voor de helft,om het van hen in leen terug te ontvangen,aldus de steun van twee machtige heren te verzekeren.

 

Als gevolg van de schaarsheid der bronnen horen we verlopig niet veel meer van Endegeest.21 maart 1364 werd een Floris van Endegeest door de burggraaf met de helft ervan beleend.Tot in het midden der 17e eeuw namen de opvolgende bezitters van het leen de naam Endegeest aan,ook al vererfde het huis op andere geslachten.

In 1421 en '23 werd een Willem van Endegeest Hendriksz. resp. met de beide helften beleend,in 1428 en '29 zijn dochter Willemyne,die het goed in 1439 verkocht aan Dirck Boudijnsz.van Swieten (geb.1400).Ook nu weer noemden de heren van Alkemade en die van elkaar neef,wellicht als teken van hechte verbondenheid.Deze nieuwe heer kreeg in 1447 het schoutambt van Oegstgeest en die van de burggraaf.Het volgende jaar komt hij voor als raad van Philips de Goede.25 augustus 1448 kocht hij van zijn neef Floris van Alkemade de heerlijkheid van half Endegeest,die hij 25 november aan de burggraaf opdroeg,die hem vervolgens beleende met de gehele hofstede met 29 morgen land.Voorts was hij o.a. collator van enkele vicarieë in de Pieterskerk in Leiden.

Na zijn kinderloos overlijden in 1482 vererfde Endegeest op zijn neef (zusters zoon) Pieter Andriesz.van Clutinge en na diens dood in 1483 op diens neef (zusters zoon) Jan van Berckel,die in 1489 eveneens kinderloos overleed.Zijn vader Dirck van Berckel,schout van Oegstgeest,volgt op (overl.1510).Dan volgt diens neef (broeders zoon) Engelbrecht van Berckel (overl.1535),diens zoon Jan ((geb.1498,burgemeester van Leiden in 1542,overl.1557)diens dochter Lijsbeth (geb.1529,trouwt op Endegeest 1553 Claes Maertensz.van Schouwen).Zij overleed in 1574,het jaar van het beleg van Leiden,waarbij het kasteel zwaar gehavend werd:slechts de twee torens bleven staan.Voor zover bekend heeft Lijsbeths zoon Maarten van Schouwen er zelf niet gewoond.Hij woonde in Leiden in de Breestraat tot 1609.Vermoedelijk heeft hij in die tijd Endegeest weer bewoonbaar gemaakt want in het bevolkingsregister van Rijnland van 1622 blijkt hij er te wonen met vrouw,2 zoons,1 dochter en 4 dienstboden.Ook op een kaart in het kaartboek van de landen van het kapittel tenHogelande en van de prebenden en memorielanden door Jan Pietersz.Dou,1631, staat Endegeest afgebeeld,weliswaar zeer klein,met vrij laag middenstuk tussen de torens (prentenverzameling nr 71556,archief van de kerken nr.684 A).Intussen had Maarten in 1596 een proces gewonnen met de houtvester van Holland over het jachtrecht,dat alleen edellieden toekwam.Sindsdien noemden de Van Schouwens zich jonker van Endegeest.

Na zijn dood werd in 1627 zijn zoon Nicolaas door Prins Fredrik Hendrik als bezitter van de Wassenaarse lenen met het goed beleend.Hij overleed ongehuwd in 1638.Erfgenaam was zijn broer Jan,die nog voor de belening in hetzelfde jaar overleed,opgevolgd door zijn broeders zoon Pieter van Foreest van Schouwen,die in 1644 ongehuwd en minderjarig te Rome was gestorven.Intussen was Endegeest van 1641 tot mei 1643 verhuurd aan de beroemde wijsgeer René Descartes.In 1644 is opvolgster Elisabeth van Schouwen,broeders dochter van Maarten voornoemd.

Met betrekking tot het kasteel zelf komen we nu in onzekerheden: W.J.J.C.Bijleveld in Leidsch Jaarboekje 1909,aan welk artikel de overgrote meerderheid van deze gegevens ontleend zijn,meent dat circa 1648 het nog bestaande kasteel is bijgebouwd,de ruimte tussen de beide torens (opnieuw) is gevuld en de poort (waarophet alliantiewapen van Berchem Van Schouwen) met de zijvleugels zijn opgericht.De huidige torens zouden dan nog uit de middeleeuwen dateren.Dit is in strijd met Simon van Leeuwen: Costumen van Rijnland,1667,blz.36:"welk Huys onlangs tot de grond toe afgebroken ende heropgebout is".

Elisabeth van Schouwen was getrouwd met Jacob van Berchem,hofmeester van prins Maurits;met haar kwam het riddergoed voor het eerst in Hervormde handen.Na haar dood in 1652 kwam het aan haar kleinzoon (dochters zoon) Scheldinus van der Rijt (geb.1646,gesneuveld tegen de Fransen op de Lek in 1672);vervolgens aan diens broer Jacob (geb.1654,overl.1739),die in zijn lange leven nooit op Endegeest gevestigd is geweest.In 1705 verhuurde hij het aan Statius Philip graaf zu Bentheim (geb.1668).Diens vader was in 1668 R.K. geworden,welk voorbeeld zijn vrouw weigerde te volgen,waarop zij door de bisschop van Munster werd gevangen gezet.In het voorjaar van 1669 slaagde haar vlucht met haar zoontje naar de republiek,waar de Staten-Generaal hen in bescherming nam.Statius,als officier onder hoge protectie snel promotie makend tot en met generaal der cavalerie,is met zijn kleine hofhouding tot 1730 op Endegeest gevestigd geweest;van 1730 tot 1747 was hij gouveneur van Heusden.Intussen was het goed in 1739 overgegaan van Jacob op zijn dochter Catharina Jacoba van der Rijt (geb.1695,overl.1744),in tweede echt gehuwd met Frederik graaf van Gronsveld Diepenbroick Impel (geb.1705),die als universeel erfgenaam van zijn vrouw Endegeest erfde,maar er pas in 1747 mee werd beleend,nadat hij in januari van dat jaar was hertrouwd met een kleindochter van een broer van Statius voornoemd,Carolina F.H.M. gravin von Bentheim Steinfurt Tecklenburg Limpurg (geb.1726)

De Orangerie van Kasteel Endegeest

Inmiddels had het huis jarenlang leeg gestaan.De plaats was geopend voor het publiek en het was de hovenier toegestaan de vruchten van boomgaard en moestuin aan de bezoekers te verkopen.In de kersentijd kon men voor luttele stuivers zoveel kersen eten als men wilde.In 1747 vestigde zich niet alleen de nieuwe heer op Endegeest;ook de oude generaal kwam terug,om er tot zijn dood in 1749 zijn laatste levensdagen te slijten.Diepenbroick voerde er een grote staat met een gehele hofhouding.Vandaar dat des zondags een voor Oegstgeest indrukwekkende stoet naar het Groene Kerkje toog.Bij zijn overlijden in 1754 werd zijn weduwe (overl.1783) met het buitengoed beleend,daarna haar zoon Willem Anna Lodewijk graaf van Gronsveld Diepenbroick Impel,die het in 1786 voor 37.000 gulden verkocht aan Samuel Rademacher (geb.1748) die er s'zomers enkele weken verblijf hield en verder in Amsterdam woonde.

Sinds 1448 of eerder had het landgoed een oppervlakte vn 29 morgen.De nieuwe heer heeft dit,o.a. in 1793,aanmerkelijk uitgebreid tot 47 morgen.De laatste dag van 1800 verkocht hij het geheel voor slechts 38.000 gulden aan (sinds 1828 Jhr.) Mr.Dirk Cornelis Gevers (geb.1763,overl.1839) oud-secretaris van Rotterdam,vrederechter te Oegstgeest,commissaris-generaal van Waterstaat en lid van Gedeputeerde Staten van Holland.

Daarna brak voor Endegeest een eeuw van bloei aan,een tijd van toewijding van zijn permanent op het landgoed wonende heren.Hier zij nog vermeld,dat de tweede echtgenote van D.C.Gevers,Maria Catharina de Leeuw (gehuwd 1792,overl.1823),een roep van liefdadigheid en goedheid heeft nagelaten.

In 1838 kwam een ruil tot stand tussen Gevers en zijn zoon,de oudste uit zijn tweede huwelijk, Jhr.Mr.Daniel Theodoor (geb.1793),waarbij deze het huis en ruim 60 bunder land kreeg en de vader 68 bunder land gelegen in Oegstgeest en Sassenheim.Beider partijen werden toen getaxeerd elk op 56.700 gulden. 1 mei 1840 vestigde de zoon zich op Endegeest.Hij was commies van Staat,lid en voorzitter van de 2e kamer.minister van Buitenlandse Zaken,staatsraad,hoogheemraad van Rijnland en curator der Leidse universiteit,die hem naast zijn landgoed bijzonder na aan het hart lag.

 

 

 

In 1850 kocht hij van de stad Leiden voor 1050.00 gulden de heerlijkheden Oegstgeest en Poelgeest,waaraan het collatierecht en een heerlijkheidsbank in de kerk verbonden waren.Door aankoopvan gronden in de omgeving van Endegeest werd de omvang ervan aanmerkelijk vergroot.Ook het nabij gelegen Rijngeest was zijn Eigendom.Prof.Buys schreef zijn biografie in de levensberichten der Maatschappij voor Letterkunde,1881.Hij overleed in 1877,aan zijn weduwe het vruchtgebruik van zijn goederen nalatend.Zij overleed,87 jaar oud,in 1895.De erfgenaam,Jhr.Leonard Adrien Charles Gevers,kleinzoon van een jongere broer van Daniel Th.heeft de familietraditie niet voortgezet.doch in 1896 het landgoed Endegeest voor 75.000 gulden aan de gemeente Leiden verkocht,voor welk verkoop vooral burgemeester F.Was zich had beijverd.Op 29 december 1896 werd het krankzinnigegesticht Endegeest officieel geopend.In 1899 werd ook Rhijngeest aangekocht,bestemd als inrichting voor zenuwleiders;5 januari 1902 had de opening plaats.In datzelfde jaar werd aan de Leidse Universiteit Dr.Jelgersma tot eerste hoogleraar in de psychiatrie benoemd.Geleidelijk aan werd het aantal gebouwen uitgebreid.Zo werd 14 juni 1935 het recreatiegebouw in gebruik genomen.Over de 20e eeuwse geschiedenis van Endegeest moet ongetwijfeld veel te vinden te zijn in het archief van het gesticht.

Tot slot nog een paar opmerkingen over enig uiterlijke veranderingen.Het oude gebouw,zoals dat in de 17e eeuw tot stand kwam,bestond uit 3 vleugels en een binnenplaats,de zijvleugels voorzien van trapgevels en de middenvleugel van een torentje op het dak.De rococovormen van de ingang en enige andere wijzigingen,o.a. het vergroten van een aantal vensters,zijn waarschijnlijk tot stand gekomen,nadat Frederik van Gronsveld Diepenbroick in 1747 het huis had betrokken.Langs de zijkanten hebben nl.lage vleugels,die inde vorige eeuw zijn afgebroken,eertijds een verbinding gevormd tussen het huis en de beide rechthoekige paviljoens.Eveneens in de 19e eeuw (1e helft) is de gracht aan de ingangzijde gedempt.Bij vergelijking met oude afbeeldingen (b.v. in Het Verheerlijkt Nederlnd III no 279;G.Goris: Les délices de la campagne à l'entour de Leyde,1713,tegenover blz.108(bibliotheek voor Leiden en omgeving in het gemeentearchief nr.82560) en tal van prenten in de prentenverzameling aldaar,blijkt,dat de poort en de beide lage vleugels aan weerszijde de meeste veranderingen hebben ondergaan.Het schuine dak van de poort is vervangen dooreen gewelfde kap,de vleugels hebben platten met houten balustraden gekregen inplaats van hun vroegere leien kappen en in het midden van hun buitengevels,die oorspronkelijk blind waren,boogvensters.Al deze veranderingen moeten na 1789 tot stand zijn gekomen,in welk jaar de oude toestand nog wordt afgebeeld (Gem.archief,prentenverzameling nr.82032)

Nog iets over het interieur.De wandtapijten in de gobelinzaal dateren vermoedelijk uit het begin der 18e eeuw.De zoldering van deze kamer dagtekent van de bouw van het huis.In 1910 is de schoorsteen aan de linkerzijde van de trap met het schilderstuk-ruitergevecht van J.van der Stoffe (1610 of 1611-1682)- naar het museum de Lakenhal te Leiden overgebracht,maar in 1935 op Endegeest teruggekeerd.Voorts bevindt zich daar een portretgroep voorstellende Willem van der Rijt met zijn gezin waaronder zijn zoon Scheldinus,J.van der Merck,1660;ook dit stuk heeft jarenlang in de Lakenhal gehangen.

Voor hun huis aan de Geversstraat, het echtpaar van Thiel

 de Heer van Thiel was hoofd van de kleermakerij van de psychiatrische inrichting Endegeest