Gedichten van Moeder

 

Moeder werd op hoge leeftijd  lid van een schrijversclub om haar talent voor het schrijven van gedichten bij te schaven.

Vanuit haar diepe geloof in God zijn haar gedichten te plaatsen als religieus, maar tevens met een groot optimisme en een gevoel voor humor. Toen op de schrijversclub haar eens gevraagd werd om  eens iets te schrijven  waarin dat  religieuze niet naar voren zou komen, kon ze het toch niet laten om daar toch een grapje mee te maken want de laatste zin van het gedicht was:  "in het jaar onzes Heren"

 

Janny Hoogerdijk-Colijn

 

werd  op 18 februari 1916 geboren te Voorhout. Zij was de dochter van Jacob Colijn en Maria Vegt.

In oktober 1939 kwam zij door haar huwelijk in Oegstgeest  wonen en is daar op  7  december  2006  overleden.

Deze website is een homage aan haar, die tijdens haar leven voor veel mensen van grote betekenis is geweest 

Geprobeerd is om haar gedichten zo te plaatsen dat ze als het ware een reis  door haar leven voorstellen.

Voetstappen

 

Ik hoor voetstappen op de gang

zo snel en luchtig

Het zijn voetstappen

van een man

Er klinkt een belofte in,

want ik ben zijn vriendin

 

Ik hoor voetstappen op de gang,

alsof een klok er luidt.

De voetstap klinkt

zo vreugdevol,

want ik ben zijn bruid.

 

Ik hoor voetstappen op de gang.

Ze klinken met een beetje zorgen.

want ik verwacht

zijn kind;

misschien komt het wel morgen.

 

Ik hoor voetstappen op de gang.

Wij hebben elkaar bemind,

en zijn nu heel gelukkig saam;

en danken saam Gods grote naam;

wij zijn ouders van een kind

 

 

 

 

Opgedragen aan Jan Koops

Gehoord heb ik, o Heer,

op aard'zal ik niet lang meer toeven;

mij wacht het graf,

zoals dat heet 'een donkere groeve'.

Maar als het zover is,

laat het niet grauw of mistig zijn.

Maar laat de zon dan schijnen,

die met haar stralen

de aarde zal verwarmen,

alsof ik neerdaal in uw vaderarmen.

En opstaan op de jongste dag,

het Godd'lijk licht aanschouwen mag.

 

Ik kon het niet laten

 

Zwaluwen draaien,

zwieren en zwaaien.

Donkere luchten,

wolken die vluchten.

Storm en onweer,

de lente keert weer.

Narcissen die kleuren,

hyacinten die geuren.

Heggen en struiken

die weer gaan ontluiken.

Het is niet te keren,

in het jaar onzes Heren.

 

 

 

Goede Vrijdag

 

Het is vandaag de dag, Heer,

dat Gij werd gekruisigd

 

Ik zit in de kerk

en ik luister

naar wat zij met U

hebben gedaan

en ik hoor over mensen

die daar hebben bijgestaan

Zij warmen zich aan het vuur

en kijken toe.

 

Ook Petrus staat erbij

zijn ogen vol verdriet

Maar plotseling is er

iemand die hem ziet

en zegt "Gij waart met Hem.

Ik hoor het aan uw stem."

"Maar Petrus roept: Ik ken hem niet.

Gij weet niet wat u zegt."

 

Maar Petrus, wat heb je gedaan?

Gods woord wordt hier bevestigd

door het kraaien van een haan.

 

Wat Petrus doet had ik nooit gedaan....

Mijn God, ik hoor nu ook het kraaien

van een haan?

 

Ik zie Gods'beeld.

Hij kijkt mij aan....

Er is vergeving

ook na het kraaien

van een haan.

 

 

 

 

Pasen

 

Voordat de dood was overwonnen,

was er het lijden aan het kruis.

Het laatste woord kwam toen met kracht.

'Het is volbracht'.

De aarde beefde en werd duister.

De spotters zwegen met gehoon,

en riepen in hun angst en twijfel;

'waarlijk,deze is Gods Zoon'.

En na de strijd kwam toen het graf:

verdriet voor die toen leefden,

en zijn naam beleden.

Maar bij de eerste dag der week,

de zon was nauwelijks opgegaan,

en fluisterend ging van mond tot mond,

de twijfel viel hun soms nog aan:

'onze Heer is waarlijk opgestaan'.

Nu juichen wij en roepen saam,

zodat ieder het kan horen:

'de Heer is waarlijk opgestaan'.

o God, Gij hebt ons uitverkoren.

 

 

Tuinperikelen

 

De roos in het hoekje van mijn tuin

kwam niet goed tot zijn recht.

Dus heb ik haar toen maar verplant,

verwondde toen mijn duim.

De roos was rood,

mijn bloed was rood,

dit hebben wij gemeen.

We leefden ieder naar onz' aard

en gingen daarna heen.

 

 

 

Voor Minke, van de buurvrouw

 

Zonneschijntje,zonneschijntje,

kijk 'ns even door 't gordijntje,

want ik zit hier op mijn bedje

en nu zeg ik mijn gebedje.

 

Vouw mijn handjes,

sluit mijn oogjes,

en kijk stiekem door een boogje

zomaar in de blauwe lucht

naar een vogel op zijn vlucht.

 

Vogel, mag ik je wat vragen:

wil jij mijn gebedje dragen;

zet het op een wolk neer,

dan leest het de Lieve Heer

 

Langs het strand

 

Ik liep eens langs het strand

met schelpen in mijn hand.

Ze hadden scherpe randen

die in mijn vlees belandden.

Het was als kwam daardoor

de aarde dichterbij.

Ik voelde mij verwant,

een deel van zee en strand.

 

 

 

Zending

 

Wij vieren weer het Pinksterfeest;

een feest van vuur en van de geest,

van tongen en van talen.

Een feest van zuiver,helder licht,

en van Gods vriendelijk aangezicht.

Wij moeten dat ver verhalen,

in opdracht van God en Heer,

Wordt niet vermoeid,vertel steeds weer

van Zijn verzoening door het bloed,

ook voor de zwaarste zonden.

 

God heeft er mensen toebereid

die heel hun leven en hun tijd

daarvoor willen geven.

Steun hen dan met u geld en goed

en met gebed en zend een groet,

dat kan hun kracht verhogen.

God geve zegen op hun werk

gedragen door 't GEBED DER KERK

 

Dankbaarheid

 

Vannacht heeft het gestormd en geregend.

Maar 's morgens kijk ik in de blauwe lucht

Naar partijen witte wolken.

En een paar kraaien in hun vlucht.

Mijn handen in mijn schoot gevouwen.

En dank mijn God dat ik op hoge leeftijd.

Dit nog mag aanschouwen.

 

 

De zegen van regen

 

Een mus hipt op het tegelpad

en pikt en pikt,toch vind hij wat

om van te kunnen leven.

Het komt in de bijbel reeds al voor:

geen musje gaat er ooit te loor,

God heeft hem niet vergeten.

 

Maar daar het pas geregend had,

ligt ook op 't kale tegelpad

nog een plasje water;

't is om zijn dorst te lessen.

Wat is de Schepper wijs en goed.

Ik ben blij dat ik de mus ontmoet,

het is mij tot een zegen.

 

 

Vakantie 1997

 

's Nachts heb ik op het strand gestaan.

De zee lag lusteloos en stil;

het was als had ze heel geen wil.

De maan die zond haar stralen,

Ik keek de maan toen even aan;

ze zei:

er is nog nooit een schip vergaan.

 

Er is nog nooit een schip vergaan.

Wil jij de zee beschermen?

Heb je het roepen niet verstaan

van alle schepen die vergaan?

Dan rolt de zee haar golven

en stort ze huizenhoog op 't schip,

dat roerloos slaat tegen de klip.

De mensen roepen naar omhoog:

ů God,houdt Gij ons in het oog.

Alleen door uwe almacht,Heer,

slaat deze storm terneer.

De maan die keek mij even aan

en zei:

Gij hebt Gods almacht goed verstaan.

 

 

Dankbetuiging

 

Moe was ik,doodmoe;

er was geen ruimte om te leven.

Los heb ik mij gemaakt,

van alles wat mij was gegeven.

En als er geen mensen waren

die naar mij hadden omgezien,

dan was ik zomaar weggegleden.

Dank aan allen

die voor mij hebben gebeden.

September

 

Een zomerdag in september;

bramen die nog aan

een struik hangen.

De laatste tomaten proberen

zich nog wat bij te kleuren.

De kraaien pikken aan de laatste

rijpe peren.

De herfstasters bloeien uitbundig.

Het is hun jaargetij.

 

Bij het ouder worden

 

Zo langzamerhand voel je toch

het einde naderen.

Het bloed vloeit   langzaamdoor

de aderen

De gang wordt trager

en mensen lopen je voorbij.

Hoe kan dat nu,

je loopt toch net als zij?

Ach, daar moet je niet op letten;

God heeft voor elke leeftijd

zo zijn eigen wetten.

Een troost heb je,

dit te weten:

God is getrouw,

Hij zal ons niet vergeten.

 

 

November

 

Dreigende wolken

ZeeŽn die kolken

Stranden verstuiven

Duinen verschuiven

 

Bossen die steunen

Kraken en kreunen

November waart rond

Als een doldrieste

hond.

 

De huizen verwarmen

Wat geld voor de

armen

Gezellig gezeten

Met een rustig geweten

 

 

 

 

 

 

 

Kerstbomen

 

Er liggen bomen op het plein,

een hele grote hoop.

Er hangt ook weer een kaartje aan,

die bomen zijn te koop.

 

Ik kocht ook een een perenboom,

en elk voorjaar weer,

draagt hij een volle bloesemkroon,

tot eer van God de Heer

 

En na een mooie zomertijd

hangen er weer vruchten aan.

Zo mooi en zoet als j'er in bijt

Het is vanzelf gegaan

 

Maar deze bomen van het plein

zijn er tot onze eer.

Wij doen er heel veel lichtjes aan,

want het donker doet ons zeer

 

En deze bomen op het plein

komen niet tot hun recht;

stracht leggen ze weer op een hoop

de brandweer die beslecht

 

 

 

 

Herinneringen

 

Kom bij mij langs

En treedt mijn kamer binnen

Geef mij je hand en loop met mij wat rond

Het is een kamer vol herinneringen

Die vlek daar op het kleed

is nog van de hond

Dat theeblad op de tafel

met die stenen kommen

is nog van het vaderlijk huis

Ik heb er heel wat thee uit gedronken

met mijn moeder;want, ach, die moeders

waren toen nog thuis

Die vazen op de kast zijn nog van mijn opoe

Ik was ze altijd heel voorzichtig af

't zijn kostbare herinneringen

van oude mensen die rusten in hun graf

Daar hangen de eerste tekeningen van mijn kinderen

Ze bederven het behang

Het zijn zelf nu haast al AOW'ers

En ja.ze hangen daar nu al zo lang

Dit is het bureau van mijn Opa

Hij was wat streng en antirevolutionair

Zo heel rechtlijnig in zijn denken

Ik was voor hem altijd een beetje bang

Op het bureau staat nu mijn eerste achterkleinkind

Ook opa's bijbel,hij heeft hem zelf gebracht

Hij legde zijn handen op mijn hoofd

En zei:mijn kind, ik geef je hier mijn zegen

Dit kostbare geschenk, het is een boek ten leven

Wij zijn de kamer rond

En zonder na te denken,lopen we

over de vlek in 't kleed van

onze hond

 

 

 

 

Moeders gedichten zijn vrij te gebruiken door niet commerciŽle instellingen zoals kerken,zorginstellingen,scholen,verenigingen,particulieren e.d. Wel stellen wij er prijs op dat u ons  even per e-mail laat weten als u iets van de gedichten zou willen gebruiken.

Zo ja,klik dan even op de inktpot met de veer.

 

 

 

 

 

Free Guestbook from Bravenet

 

Free Guestbook from Bravenet